Ukvaes nr 28 Picture this

(Onderstaand verhaaltje had ik ingezonden voor een wedstrijd. Niet gewonnen helaas, wel bij de beste 20 (van de ruim 200) geëindigd. De opdracht was een verhaal over de strijd tussen mens en natuur, en er moest een zwarte kraai in voorkomen.)

In één nacht is alles verdwenen, een dikke mantel van ijs en sneeuw heeft het hele land toegedekt, zachtjes ingestopt onder een witte deken. Mijn ogen vinden nergens rust, zien niets dan verblindend wit. Ik zie alleen, op een eenzame top van een paal, – is het een verkeersbord, een schoorsteen van een bedolven huis, een kerktoren? – een zwarte kraai. De enige stip waar mijn ogen rust kunnen vinden. De kraai ziet niets, kan zichzelf niet zien.

Dan trekt de hemel open, het landschap nu een schilderij van Rothko, blauw boven, wit onder. Ik kijk door het dakraam waar de sneeuw dankzij de warmte van de zon vanaf smelt, een paar meter lager een lawine veroorzakend. Geruisloos. Ik zie de kraai, hij zit nog steeds roerloos op zijn uitstekende plek.

Ik kruip door het raam naar buiten. Voorzichtig laat ik me vallen in de sneeuwheuvel onder me. De opgestapelde vlokken verwelkomen me, omarmen me en laten me zachtjes een stuk omlaag zakken tot ik een idee van vaste bodem onder mijn voeten heb. Ik ploeg me een weg naar de kraai. Zak steeds dieper weg naarmate de temperatuur stijgt en de sneeuw opwarmt.

De vogel steekt steeds hoger boven me uit. Nog steeds roerloos. Tegen de tijd dat ik vlak bij hem ben, hij torent inmiddels hoog boven me uit, is de sneeuw zover gesmolten dat ik kan zien dat hij op het puntje van een van de laatste, en ook al lang niet meer werkende, lantarenpaal zit. De omgeving begint weer te lijken op hoe ik het me herinner, met huizen, de meeste al lang geleden verlaten, bomen, autowrakken en een onttakelde kerk. Daar achter die rij populieren moet de rivier zich bevinden, die is nog bedekt met sneeuw en ijs. Ik zie nog geen tekens van leven, geen andere mensen of dieren. Die komen misschien weer tevoorschijn als de sneeuw nog verder smelt en de temperatuur weer aangenaam wordt maar ik verwacht het niet, er zijn nog maar zo weinigen van ons over. Het is al lang geleden dat ik iemand gezien heb.

De zon heeft nu ook de kraai bereikt, hij lijkt te ontdooien, zakt in en gaat steeds schuiner hangen. Een poot verbindt hem nog met de paal. Dan laat die ook los. Nu is er niets meer dat hem met de paal verbindt, dat hem op zijn plaats houdt. Hij stort ter aarde. Ontdooid maar doodgevroren.

Ik raap hem op en neem hem mee naar huis. Nu kan ik niet meer door het dakraam, ik sta nu veel lager, en glip door het bovenlicht van de voordeur. Ik pluk de kraai en bestrooi hem ruim met peper en zout. Dan bak ik hem in zijn geheel in het laatste restje vet dat ik bewaard had voor een speciale gelegenheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *