Ukvaes nr 32 Vallen

Stel je voor dat je ergens doorheen gegooid wordt. Vanaf een grote hoogte, zo hoog dat je de grond niet kan zien. Door een luik, een gat, een deur? Dat weet je niet. Maakt ook niet uit. In het begin hang je nog even aan een draadje maar dat wordt al gauw doorgesneden. Je begint te vallen. Steeds sneller en sneller. Je raakt in paniek. Dit kan niet goed gaan. De wind suist door je haren. Je schreeuwt, krijst, huilt. Je laat alles lopen maar je kan het niet stoppen.

Als het vallen maar lang genoeg duurt neemt de paniek af, het is vermoeiend, je kan niet eeuwig in paniek blijven. De angst lijkt minder te worden. Het begint te wennen. Nu zie je ook anderen. Sommige gaan sneller, anderen langzamer. En af en toe is er iemand die een tijdje gelijk met je op gaat. Neer dus. Je praat met ze, deelt je angsten en hoop. Sommigen houd je een tijdje vast, tot je ze weer moet laten gaan. Omdat ze sneller of langzamer willen dan jij. En je ziet af en toe iemand te neerstorten. Dat doet je beseffen dat ook jij ooit te pletter zal slaan. Waarschijnlijk. Je leert obstakels te vermijden, te zwenken, remmen en versnellen. Je bent immers soepel van lichaam, en geest. Je krijgt er lol in.

En dan ineens is er die laatste seconde, als je alles en iedereen nog eens versneld langs ziet komen en besef je: dit is het dan, dit was je leven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *